Er is nieuws van het stripfront: in 2026 huldigen we postuum stripauteur HUREY (Hugo De Reymaeker) met een GOUDEN WULLOK Lifetime Achievement Award én een Oostendse versie van "De Gouden Beker", een album uit de reeks JAN HEIBEL. De vertaling gebeurt andermaal door Oostends dialekt specialist Roland Desnerck samen met zijn vrouw Marie-Jeanne Clément, de cover zal getekend worden door D'Auwe (Dirk Van der Auwera) die eveneens de affiche voor de Oostendse Stripbeurs 2026 zal ontwerpen! Ferry Segers zal de bewerking en de lay-out van het album mee helpen verzorgen. De Gouden Wullok zal overhandigd worden aan Rik De Reymaeker, de zoon van Hugo. De andere zoon Guy, woont in Martinique.
Hugo de Reymaeker (Tervuren 13 juli 1937 - Martinique, 15 juni 2001), beter bekend onder zijn pseudoniemen Hurey, Hugo en Fonske was een Vlaams striptekenaar.
Hurey werkte na zijn studie van 1959 tot 1960 voor de Belvisionstudio. In de jaren daarna tekende hij als "Fonske" en "Hugo" zijn eerste strips voor het weekblad Kuifje. Hij maakte diverse strips voor de bladen Ons Volkske en Pats. Vanaf 1967 werkte hij voor het blad 't Kapoentje en voor de krant Het Volk. In 1976 stopte hij met tekenen. Hurey overleed in 2001 op Martinique waar hij sinds de jaren 1980 woonde.
Hij is vooral bekend om zijn humoristische middeleeuwse avonturenreeks 'De Fratsen van Jan Heibel' (1967-1973). Hurey had een nauwe band met Marc Sleen , voor wie hij in de jaren 60 verschillende van zijn gagstrips inktte en af en toe ook ghostde. In 1961 tekende Hurey ook Sleens eerste 'Nero'-verhalen uit 1947-1948 in een moderner jasje. Tussen 1965 en 1967 tekende hij ook Sleens titelloze versie van de kindergagstrip 'De Lustige Kapoentjes' in Pats. Vervolgens werd hij overgenomen door het concurrerende tijdschrift 't Kapoentje om de officiële 'De Lustige Kapoentjes' te tekenen, wat hij deed tussen 1967 en 1976. Daarnaast combineerde Hurey personages uit zowel 'Jan Heibel' als zijn versie van 'De Lustige Kapoentjes' voor de spin-offstrip 'Ketje & Co' (1967-1975). Hurey werkte vervolgens als assistent voor de striptekenaars Jean-Pol en Berck voordat hij de Belgische stripindustrie verliet en naar Martinique verhuisde.
Ergens rond 1960 begon Hurey samen te werken met Marc Sleen , de maker van de iconische Vlaamse krantenstrip 'Nero'. Sleen stond erom bekend al zijn dagelijkse en wekelijkse series alleen te tekenen. Maar tussen september 1959 en mei 1963 inktte Hurey enkele van Sleens 'Doris Dobbel'-gags. Deze humoristische strip over een slager liep sinds 1950 in het onafhankelijke tijdschrift De Middenstand. Toen Sleen in 1965 stopte met de serie, zette Hurey deze alleen voort tot februari 1967. Begin jaren zestig inktte Hurey ook Sleens andere gagstrips 'Piet Fluwijn en Bolleke', 'De Lustige Kapoentjes' en vermoedelijk 'Oktaaf Keunink'. Het is bevestigd dat Hurey, vooral in de latere periode, ook enkele gags ghostde.
Tussen 1 augustus en 30 november 1961 nam Sleen een zeldzame vakantie van drie maanden. Tijdens zijn afwezigheid publiceerde Het Volk een herdruk van het tweede 'Nero'-verhaal, 'Het B-Gevaar', oorspronkelijk gepubliceerd in 1948. Dit klassieke avontuur werd echter volledig hertekend door Hurey. Zijn versie werd ook in boekvorm uitgegeven. Hoewel ze niet in de kranten verschenen, werden de eerste en derde aflevering, 'Het Geheim van Matsuoka' (oorspronkelijk uit 1947-1948) en 'Het Zeespook' (1948), ook hertekend voor albumuitgaven. In de jaren zestig ontstond onder Belgische striptekenaars een trend om hun vroege verhalen opnieuw te tekenen in een professionelere, gemoderniseerde grafische stijl. Tot dan toe had alleen Hergé's studio dit gedaan met de oudere 'Kuifje'-verhalen. Zijn assistenten moderniseerden de grafische stijl, verwijderden bepaalde scènes en voegden er andere aan toe. In Vlaanderen volgden Willy Vandersteen ('Suske en Wiske') en Jef Nys ('Jommeke'), maar Sleen en Hurey waren de eersten. Hurey's vernieuwde 'Nero' had alleen een nieuwe grafische look. De plot en zelfs de gedateerde verwijzingen naar de jaren 40 bleven intact. Hurey tekende simpelweg elk paneel opnieuw, maar behield de lay-out. Een opvallende verandering was het einde van 'Het Geheim van Matsuoka' (1947). In het origineel werd Nero afgebeeld met "twee deugnieten". Sinds de aflevering 'De Zoon van Nero' uit 1959 had Nero echter maar één kind, Adhemar, waardoor de nakomelingen uit het debuutverhaal tot neven en nichten werden gemaakt. Hurey tekende ook hun gezichten opnieuw, zodat ze niet meer op Nero leken.
Toen Sleen terugkwam van vakantie, tekende hij 'Nero' alleen verder totdat Dirk Stallaert in 1992 zijn assistent werd. Hurey of een andere assistent tekende geen 'Nero'-verhalen meer.
In 1965 verliet Marc Sleen de krant Het Volk om zich bij De Standaard aan te sluiten. Omdat hij de rechten bezat, nam hij zijn personages uit 'De Lustige Kapoentjes' en 'Piet Fluwijn en Bolleke' mee om hun avonturen voort te zetten in de jeugdbijlage Pats van De Standaard. Het Volk bezat echter de namen van beide rubrieken, dus alle nieuwe afleveringen van Marc Sleen voor De Standaard moesten titelloos blijven. Dit betekende ook dat ze niet in boeken konden worden verzameld. Hurey kreeg de opdracht om beide titelloze rubrieken in Pats voort te zetten, bijgestaan door zijn eigen assistent, Jean-Pol . Hurey's afleveringen verschenen van 28 april 1965 tot 4 januari 1967.
Ondertussen zette Het Volks bijlage 't Kapoentje 'De Lustige Kapoentjes' voort onder de oorspronkelijke titel, maar met nieuwe personages. Aanvankelijk nam Jef Nys de baan aan, maar na een paar weken liet hij zijn assistenten gewoon grappen tekenen met zijn signatuurpersonage Jommeke. In 1966 wilde Het Volk een volledig originele kinderclub voor 'De Lustige Kapoentjes' en kocht Hurey los van Pats om de strip voor 't Kapoentje te tekenen. Hij had immers ervaring met het format, aangezien hij jarenlang had meegewerkt aan de versie van Sleen. Hem werd ook een eigen strip in het moederblad Het Volk beloofd, inclusief de nodige promotie. Het Volk eiste dat hij exclusief voor hen zou werken, dus de overstap betekende zijn definitieve afscheid van Kuifje, Ons Volkske en Pats. De titelloze versies van 'De Lustige Kapoentjes' en 'Piet Fluwijn en Bolleke' werden door Jean-Pol voortgezet tot 1974. Hurey's overstap naar Het Volk betekende ook het einde van zijn professionele en persoonlijke relatie met Marc Sleen, die direct een einde maakte aan de andere gagstrips die Hurey voor hem had voortgezet. Achteraf gezien lijkt het erop dat Sleen had gehoopt dat Hurey ooit zijn opvolger zou worden. Dat hij zich bij een concurrerende krant zou voegen, voelde als een dolkstoot in de rug.
Op 18 januari 1967 debuteerde Hurey's versie van 'De Lustige Kapoentjes' in 't Kapoentje. Hij gaf de personages een nieuwe, eigen stijl. De nieuwe jongens heetten Ketje, Oscar en Proske. Het meisje werd een tiener genaamd Poes. De politieagent werd omgedoopt tot Firmin en de schurkachtige jongeling tot Jakke. Hurey tekende de reeks bijna negen jaar lang. Zoals alle strips in 't Kapoentje, verscheen 'De Lustige Kapoentjes' ook in het Frans als 'Les Petit Lurons' in Le Petit Luron, een bijlage van het Waalse tijdschrift Samedi. In 1976 gaf hij het potlood door aan Karel Boumans , alias Kabou, die op zijn beurt werd opgevolgd door een tekenaar die simpelweg bekendstond als Jo , van 1985 tot het einde van de reeks in 1989. 't Kapoentje verzamelde Hurey's versie van 'De Lustige Kapoentjes' in boekvorm tussen 1967 en 1974. In 2020 voegde Het Vlaams Stripcentrum (Vlaams Stripcentrum) nog een Hurey-collectie toe, met een omslagillustratie van Tom Bouden .
Hurey's bekendste serie in Het Volk was 'De Fratsen van Jan Heibel' (1967-1973), een avonturenreeks die zich afspeelt in de 14e eeuw. Jan is een gespierde, maar niet zo slimme slager. Zijn naam is een woordspeling op Jan Breydel, een Vlaamse volksheld die in 1302 meevocht in de Guldensporenslag. Heibels sidekick, Piet Koning, is een woordspeling op Breydels goede vriend Pieter De Coninck. 'Jan Heibel' verscheen aanvankelijk als een gagstrip van één pagina, maar later als langere avonturenreeks, waarin de hoofdpersoon werd vergezeld door zijn zoon Dagobert. Het Volk bracht tussen 1967 en 1973 zeven officiële albumbundels uit. Vier verhalen werden exclusief gemaakt voor jaarlijkse vakantieboeken. In 2005 bracht Brabant Strip deze in een gelimiteerde oplage uit.
In 1967 lanceerde Hurey een spin-off van zowel 'Jan Heibel' als 'De Lustige Kapoentjes', getiteld 'Ketje en Co'. Aanvankelijk richtte de auteur zich op Ketje, een van de jongens van Kapoentje, maar later koppelde de auteur hem aan Jan Heibel, middels tijdreizen, in het tweede album, 'Het Duivelstuig'. Na drie verhalen werd de serie omgedoopt tot 'Heibel en Ketje'. Vanaf het negende album verscheen het opnieuw als 'De Avonturen van Ketje'. Verschillende verhalen verschenen voor het eerst in het budgetstriptijdschrift Ohee. Terzijde: het 15e album, 'De X-Bom' (1971), deelt zijn titel met een klassiek 'Nero'-album uit 1955. In totaal werden er tussen 1966 en 1971 20 albums uitgegeven. 'Ketje en Co' verscheen in de krant, maar zowel 'Jan Heibel' als 'De Lustige Kapoentjes' bleven als aparte series in afwisselende continuïteiten bestaan. (LAMBIEK, Comiclopedia)
Reactie plaatsen
Reacties