8 X BELGISCH KAMPIOEN
In 1965 begon men in het Dominiek Savio instituut in Gits met de bouw van een badlokaal voor hydrotherapie, pal naast de zaal voor kinesitherapie. Met grote belangstelling volgden we de werkzaamheden, alsof het om de bouw van een wereldwonder ging. Een tijdlang gaapte er een verdacht gat in een hoek van het instructie- en therapiebad. Dat bleek niet zomaar een gat te zijn, maar het persoonlijke onderkomen van een hardnekkige muskusrat die van geen wijken wilde weten.
Als je ’s avonds héél stilletjes de bouwplek betrad, kon je soms net een donkere schim zien wegschieten in dat zwarte gat. Dat zorgde voor spanning, gefluister en stoere verhalen die met elke vertelling gruwelijker werden. Tot er op een dag een rattenval in het bad werd geplaatst. Enkele dagen later lag het kadaver van de muskusrat pontificaal uitgestald op het grasveldje naast het vierde paviljoentje. Het vervaarlijke beest trok heel wat aandacht: menig kind bleef huiverend op veilige afstand staan, alsof het dier elk moment weer tot leven kon komen.
Maar kijk, het bad kon eindelijk verder afgewerkt worden. Enkele weken later liet de aannemer de kuip met water vullen om te controleren of er geen lek was. Dat was het moment waarop meneer Karel, altijd uit op een goede grap, ons jongens uitdaagde om zonder zwembroek een eerste duik te nemen. Met een handvol van de dappersten waagden we ons aan dat bravourestuk. Rillend, luid joelend en met blauwe lippen doken we het ijskoude water in, tot groot jolijt van onze kinesist, die zichtbaar genoot van ons heldendom én onze ellende. Nostalgie met kippenvel — letterlijk.
Zo leerde ik zwemmen in dat kleine zwemdok, en al vlug ontpopte ik me tot een volleerde waterrat. Ik plonsde, spartelde en dook alsof ik nooit anders had gedaan. Thuis had ik daar met geen woord over gerept. Dat leek me zo’n detail.
Op een dag werden mama en papa op school uitgenodigd om mijn evolutie te bespreken. Wisten zij veel… Juffrouw Vanbiervliet leidde hen met zichtbare trots rond en toonde het gloednieuwe lokaal voor hydrotherapie. Mijn ouders keken hun ogen uit: het zwembad, de grote metalen kuipen waarin kinderen met allerlei spieraandoeningen behandeld werden — het leek wel een futuristisch badhuis.
Plots zagen ze mij naast hen opduiken. Hun kleine spruit, half nat, met niets anders aan dan een bescheiden zwembroekje. Nog voor mama goed en wel kon vragen wat ik daar deed, nam meneer Karel me kordaat bij mijn nek en mijn poep vast en zwierde me, stijf als een plank en met het hoofd vooruit, gracieus over de boord van het bad.
Mama slaakte een gil alsof ze een moord zag gebeuren. In haar ogen werd haar oogappeltje zonder pardon het sop ingekeild door die vreemde snoeshaan van een kinesist. Papa hapte naar adem. Maar nog voor de paniek goed en wel kon losbarsten, kwam ik aan de andere kant van het wateroppervlak lachend weer boven, fier als een zeehond na zijn kunstje.
Ik had zolang mijn tanden op elkaar kunnen houden. Mama en papa keken elkaar aan, eerst geschrokken, dan verbaasd, en uiteindelijk opgetogen. Weer een stap vooruit, zeiden ze. En ik? Ik was vooral blij dat ik eindelijk betrapt was — als waterrat in volle glorie.
Het zembad in Dominiek Savio kon je bezwaarlijk een bad noemen om in te trainen. Baantjes trekken? Vergeet het. Dat bad was er niet voor sportieve heldendaden, maar voor therapie: rustig bewegen, oefeningen doen met de kinderen, onder het waakzame oog van begeleiders die altijd net iets te luid praatten. Het was nuttig, zeker, maar geen plek waar ge leerde zwemmen met het mes tussen de tanden.
Wie echt vooruit wilde, wie wilde trainen, moest elders zijn heil zoeken. En dat heil lag in Varsenare, ergens tussen Brugge en de buitenwereld. Daar had een edelman uit het Brugse — zo ging toch het verhaal — een sporthal met een zwembad laten bouwen, niet alleen voor de plaatselijke bevolking, maar ook voor mensen met een handicap. Geen chique toestanden, geen olympische afmetingen: vier banen naast elkaar, achttien meter lang, en ge waart er al bijna door voor ge goed en wel begonnen waart. Maar het was een écht zwembad. En belangrijker nog: ge geraakte er binnen met een rolstoel. Dat alleen al voelde als luxe.
Elke week was het van dat. We trokken eropuit met het busje, ’t Roodkapje — een rood gevaarte dat meer karakter had dan comfort — met de trouwe Wiestje aan het stuur. Wiestje kende elke bocht, elke kassei, en hij reed alsof hij ons persoonlijk wilde afleveren bij de toekomst. Dat busje rook naar zweet, goedkope zeep en een beetje diesel, en onderweg werd er gelachen, gezwegen, en af en toe wat gezongen, vals maar enthousiast.
In Varsenare werd ik klaargestoomd voor de zwemploeg van GIDOS, de sportploeg van het instituut. Dat klonk groots, en dat was het ook, op onze schaal. En toen ik bijna zeven was, kwam het grote nieuws: ik mocht deelnemen aan de Belgische zwemkampioenschappen voor gehandicapten. Dat jaar gingen die door in het Rooigemzwembad in Gent — voor mij zowat het summum van de beschaving.
Er was wel één klein probleempje: officieel moest ge zeven jaar zijn om aan competitie te mogen deelnemen. En ik was… bijna zeven. Net niet. Maar omdat regels soms ook een beetje rekbaar zijn, mocht ik bij hoge uitzondering toch meedoen — buiten competitie. Ik moest het opnemen tegen twee volwassenen, die men blijkbaar nergens anders kwijt kon. Dat alleen al vond ik prachtig: klein manneke tegen twee grote mensen. Dat kon alleen maar goed aflopen.
“Op uw plaatsen!”
“Klaar?”
KNAL!
Het startschot galmde door het zwembad. Ik begon zoals ze het mij hadden aangeleerd: op mijn rug, enkel met de benen, schoolslag. Braaf, gedisciplineerd, zoals het hoort. Maar na een paar meter voelde ik het: dit ging niet snel genoeg. Ik keek — voor zover ge kunt kijken op uw rug — en merkte dat ik terrein begon te verliezen.
En toen dacht ik: ’t Is genoeg geweest.
Ik schakelde over op crawl. Alles erop en eraan. Mijn benen maaiden door het water, ze klopten alsof ze kwaad waren. Ik schoot vooruit als een pijl — nee, als een torpedo — recht naar de overkant. En nog voor iemand goed en wel doorhad wat er gebeurde, tikte ik met ruime voorsprong de eindmeet aan.
Het zwembad ontplofte. Gejuich, applaus, geroep.
Ik was Belgisch kampioen.
Later, bij de prijsuitreiking, stonden mijn ouders naast me. Zo fier als een gieter, met dat soort blik dat zegt: zie hem daar eens staan. Ik kreeg een mooie beker, blinkend en zwaar. Iemand had er snel een zakje snoep in gestopt — waarschijnlijk goedbedoeld, pedagogisch verantwoord.
Ik keek erin, trok een gezicht en zei, luid genoeg voor iedereen:
“Mama… ze hadden er toch beter twintig frank ingestopt!”
Mijn moeder stond daar, tussen juryleden en organisatoren, met kaken zo rood als het busje ’t Roodkapje. Rood tot achter haar oren. Terwijl ik triomfantelijk mijn beker vasthield, vol snoep, eer en onstilbare ambities.
En die ambities zou ik weten te verwezenlijken: de volgende jaren zou ik zowaar 8 keer Belgisch kampioen worden! Na 1968, toen ik het instituut verliet, sloot ik aan bij de sportvereniging Gruuthof te Varsenare. Ik kende de omgeving er al daar we elke week vanuit Gits al hier kwamen zwemmen. Elke week, op zaterdag namiddag reden we naar Varsenare. Tussen drie en vijf uur trainde ik om me klaar te stomen voor de selectiewedstrijden voor het Belgisch kampioenschap. Telkens weer ging ik vol vertrouwen en ambitie de strijd aan met mijn leeftijdsgenoten uit het hele land, die ook een beperking hadden.
Meestal maakten we de verplaatsing naar de wedstrijden en kampioenschappen met heel de ploeg en begeleiders samen in een luxe autocar speciaal door de Brugse edelman ter beschikking gesteld van ons. De verantwoordelijke kreeg een enveloppe mee om ons in staat te stellen om eens goed uit eten te gaan ook! In feite waren de dagen van de wedstrijden en kampioenschappen een waar feest voor ons. En als kers op de taart kwamen daar telkens de titels van kampioen bovenop die verschillende van onze zwemmers wisten te behalen.
In 1972 werd ik door het Stadsbestuur van Oostende gehuldigd voor mijn sportprestaties. Met heel de ploeg en mijn familie en vrienden werden we op het stadhuis ontvangen door schepen Roland Maekelberghe, die de afwezige burgemeester Jan Piers mocht vertegenwoordigen. Uit zijn handen mocht ik de GOUDEN MEDAILLE van de Stad Oostende ontvangen! Na de feestelijkheden en de receptie trokken we naar de nabijgelegen Volksbond waar toendertijd op de eerste verdieping een restaurant en tea-room gevestigd was. Voor iedereen een wafel of pannenkoek. De week daarop stond een fraai artikel in de Zeewacht met de titel: 12-jarige Geert Ollieuz 6 x Belgisch kampioen.
Naar het schijnt zou de toenmalige baas van SUNAIR Rudolf Vanmoerkerke gloeiend jaloers geweest zijn omdat 'die snotaap met zijn kromme handjes wel een gouden plak van 't stad krijgt' en zijn kampioenenploeg van de basket die eer niet kreeg..
Reactie plaatsen
Reacties